Hoogbegaafdheid

shutterstock_83733970 meisje

Hoogbegaafdheid


 
Ongeveer 2,5 procent van alle leerlingen laat kenmerken zien die duiden op hoogbegaafdheid. Het is echter moeilijk om te spreken over dé eigenschappen van hoogbegaafde leerlingen, omdat ook deze kinderen uniek zijn. Hun eigenschappen kunnen onderling erg verschillen en soms zelfs tegenovergesteld zijn. Zo is bijvoorbeeld de ene hoogbegaafde leerling op sociaal gebied erg sterk, terwijl een andere hoogbegaafde leerling juist erg op zichzelf is gericht. De ene hoogbegaafde leerling toont zich erg leergierig, terwijl een andere hoogbegaafde leerling door een inadequaat onderwijsaanbod het plezier in leren misschien verloren heeft en dit niet (meer) laat zien.
Naast een sterk ontwikkelingspotentieel beschikken begaafde leerlingen over creërend denkvermogen en een sterke gedrevenheid. Het is niet vanzelfsprekend dat dit zich ook uit in excellente prestaties op één of meerdere gebieden. Hiervoor is een stimulerende leeromgeving nodig, met onderwijsgevenden die rijk onderwijs vormgeven dat (ook) aansluit bij de specifieke onderwijsbehoeften van deze leerlingen. De specialisten van Plusonderwijs hebben veel ervaring met het creëren van een stimulerende leeromgeving. Ook kunnen zij de onderwijsbehoefte van de leerling in kaart brengen en daarover met de school in gesprek gaan.

 

Onderpresteerders

Hoogbegaafde leerlingen beschikken over de potentie om hoge prestaties te leveren. Toch komt dit niet altijd tot uiting. Kennis van mogelijke kenmerken van hoogbegaafde onderpresteerders is daarom van belang ten behoeve van de signalering van deze leerlingen.
Wetende dat hoogbegaafde leerlingen goed en snel kunnen leren, verwacht je eigenlijk dat er op school weinig tot geen problemen zullen optreden. Dat geldt echter niet voor alle hoogbegaafde leerlingen. Omdat zij in het huidige onderwijs vaak niet op niveau worden aangesproken, lopen ze een groot risico om gedemotiveerd te raken, met gedragsproblemen en onderpresteren als gevolg (Doornekamp, Drent en Bronkhorst, 1999). Het is dan ook belangrijk deze leerlingen zo snel mogelijk te signaleren, zodat deze problemen zoveel mogelijk voorkomen en opgelost kunnen worden.

 

Testen of niet?

Bij testen denkt men in het geval van een ontwikkelingsvoorsprong of begaafdheid al gauw aan een gemeten IQ hoger dan 130, maar intelligentie en begaafdheid zijn niet hetzelfde.
Testen is niet nodig als een kind zich in een doorlopende lijn ontwikkelt en de omgeving goed inspeelt op de ontwikkeling van het kind door steeds ontwikkelingskansen te bieden in de vorm van adequaat onderwijsaanbod en een passende begeleiding.

 

Wanneer is testen op intelligentie wel nodig?

  • Indien er een verschil van inzicht is tussen de ouders en de school, met als consequentie dat er geen afstemming mogelijk is over het onderwijsaanbod en de begeleiding van de leerling.
  • Indien een school na zorgvuldige diagnostiek met middelen die de school ter beschikking staan (observatie, toetsing, gebruik van screeningsmiddelen), niet tot een eenduidige conclusie kan komen met betrekking tot de onderwijs- en begeleidingsbehoeften van de leerling. In dit geval vindt er meestal, behalve een intelligentietest, ook een persoonlijkheidstest plaats en/of didactisch onderzoek – afhankelijk van de hulpvraag.
  • Indien blijkt dat een beredeneerd aanbod en begeleiding na langere tijd niet het beoogde effect heeft en men meer inzicht nodig heeft in de vraag waarom het niet het beoogde effect heeft. Een intelligentietest alleen is dan niet voldoende.
  • Indien er behoefte is aan duiding van de kenmerken van de leerling. Dit laatste kan het geval zijn wanneer de leerling langere tijd onderpresteert of naast kenmerken van begaafdheid gedrags- en of leerproblemen ervaart die wijzen in de richting van een leer- en/of ontwikkelingsstoornis. Ook dan is een intelligentietest alleen niet voldoende.

 

Theorieën

Hoogbegaafdheid is niet hetzelfde als een hoge score op een IQ-test. Dit staat al lang niet meer ter discussie. In Nederland wordt hoogbegaafdheid vaak beschreven aan de hand van het meerfactorenmodel van Mönks. Uit onderzoek blijkt dat wanneer hoogbegaafdheid succesvol tot ontwikkeling komt, de volgende drie persoonlijkheidsfactoren (meestal) aanwezig zijn: hoge intellectuele capaciteiten, motivatie en creatief vermogen. Mönks onderscheidt in zijn model echter, naast deze aanlegfactoren, nog een drietal cruciale omgevingsfactoren die het tot uiting komen van hoogbegaafdheid beïnvloeden. Deze betreffen de invloed van gezin, school en vrienden op de ontwikkeling van hoogbegaafd gedrag. In de plusklas van Plusonderwijs komen deze factoren allemaal samen: we gaan uit van hoge intellectuele capaciteiten. Het creërend denkvermogen en de motivatie zijn (nog) niet altijd aanwezig, maar worden zeker gestimuleerd door de leeromgeving van de plusklas. Daarbij moet er een wisselwerking zijn tussen gezin, school en peers. Alle drie deze partijen spelen een rol bij het tot uiting komen van hoogbegaafdheid. De ontmoeting met peers leidt vaak tot een gevoel van (h)erkenning. De school moet inspelen op de onderwijsbehoeften van het kind; het gezin heeft als taak het kind te erkennen in zijn behoeftes.

Plusonderwijsafb1

 
In de plusklas werken we onder andere op basis van de theorie van Sternberg. Sternberg onderscheidt drie denkvaardigheden: analytische, creatieve en praktische vaardigheden. Iedereen heeft in meerdere of mindere mate elk van deze drie denkvaardigheden tot zijn beschikking, maar het is heel zeldzaam dat iemand ze alle drie even goed beheerst. De meeste mensen hebben een duidelijke voorkeur voor één of soms twee van deze manieren van denken. Sternberg stelt dat er sprake is van ‘succesvolle intelligentie’ als iemand in staat is zijn vaardigheden op zowel analytisch, creatief als praktisch gebied succesvol te managen. Door middel van lessen in de plusklas waarbij alle drie deze denkvaardigheden worden aangesproken, krijgt het kind meer inzicht in zijn manier van denken en leren.

Plusonderwijsafb2

 

Bronnen

  • SLO
  • Multifactorenmodel Mönks (1985)
  • Theorie van intelligentie Sternberg (2002)